Nelleke Noordervliet

Containerbegrippen

Grijze termen, modewoorden, oppervlakkige taal. Al doe ik mijn uiterste best dit ledige verschijnsel te verhoeden, toch betrap ik me erop dat ik bijvoorbeeld – zomaar – over ‘passie’ (s)preek. Lees hoe Nelleke Noordervliet dit container-verschijnsel heel treffend verwoord.

 

Passie

Op het achterplat van een boek las ik dat het ‘een passioneel pleidooi’ was. Ik dacht: welke redacteur van De Bezige Bij heeft dit woord laten passeren. Het moet een Vlaming zijn geweest of een jonge Nederlander, die geen Frans heeft gehad en er dus niet het Franse ‘passionel’ in herkent. Een regel later verscheen het woord ‘vergeetput’. Nu wist ik zeker dat een Vlaming er de hand in had gehad. Vergeetput wordt door onze zuiderburen vaker gebruikt dan door ons. Aangezien een van de auteurs van het werkje Guy Verhofstadt was hoefde het geen verbazing te wekken, al zie ik hem er niet voor aan de nederige taak op zich te nemen een achterplattekst te verzinnen. Niettemin: ‘passioneel’ maakte een schok van ergernis in me los. Daar had je het weer. Het woord ‘passie’. Ik ken het vooral in de betekenis van het ‘lijden’ van Jezus Christus, zie de Mattheuspassie, de Passiespelen van Tegelen, maar die betekenis is obsoleet geraakt.

Je kunt geen glossy, ja zelfs geen kwaliteitskrant meer opslaan zonder dat het woord minimaal drie keer ijdel – in de zin van ledig, maar ook in de zin van snoevend – wordt gebruikt. Geen stupide televisieprogramma waarin Bekende Nederlanders aan het woord komen kan zonder het woord ‘passie’. Vrijwel elke interviewer die ik aan mijn keukentafel ontvang gebruikt het op enig moment. Wat is je passie? Mijn passie is dus schrijven dus. Het is gewoon dus altijd m’n passie geweest. Als je geen passie hebt, tel je niet mee. Alle nuances van mogelijke synoniemen als ‘belangstelling’, ‘enthousiasme’, ‘interesse’, ‘zin’, ‘trek’, ‘behoefte’ worden platgewalst in het zeurderig uitgesproken woordje ‘passie’.

We worden vergast op afbeeldingen van sterren en mindere goden in tegenwoordigheid van of bezig met hun ‘passie’: een rek vol schoenen, een ranke racefiets van 3000 euro, of zelfgemaakte foto’s van hun dagelijks bordje eten (ja, echt zo’n gek idee, dat je dat later dan ziet en zegt, gut, ja, dat is waar ook, toen aten we boerenkool, het is een beetje een soort geschiedenis dus, he). We zien ze met een slecht opgevoede Labrador, Delfts Blauwe grachtenhuisjes uit de KLM first class verzameling, Provencaals aardewerk. Alles kan worden bedekt en omhelsd door het woord ‘passie’.

Zo moet je vooral geen plezier hebben in je werk, maar passie voor je werk, hetgeen me een buitengewoon ongezonde situatie lijkt. Inmiddels is passie voor mij synoniem geworden met verveling en domheid. Eenzelfde werking heeft het woord spiritualiteit op me: een containerbegrip voor vage religiositeit waaruit iedere concrete betekenis is weggesijpeld. Modewoorden zijn een monument voor de luiheid van de Nederlandse taalgebruiker en de oppervlakkigheid van zijn gevoelsleven.

Het gevaar van hinderlijke modewoorden of -termen is dat je het opeens uit je eigen mond hoort floepen. Het gebruik ervan is op de een of andere manier besmettelijk. Nooit voelde ik me meer betrapt dan toen de grote W.F. Hermans in mijn debuutroman uit 1987 Tine, of de dalen waar het leven woont, op de 180 bladzijden tweemaal de woordcombinatie ‘best wel’ had aangetroffen en daar smalend verslag van deed in zijn recensie. Tweemaal ‘best wel’ is uiteraard tweemaal teveel. Ik heb de fout in latere drukken hersteld. Wie hem toch nog ergens tegenkomt in mijn werk, behalve dan in de directe rede van een landerige puber, gelieve hem te schrappen.

Bron: OVT, 7/10/2012